Armoede in Nederland

Woensdag 17 januari, heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de armoede cijfers voor 2016 bekend gemaakt.

Langdurige armoede neemt toe. 
In 2016 moesten 590 duizend huishoudens van de ruim 7,2 miljoen huishoudens rondkomen van een laag inkomen. 
Het aantal huishoudens die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen is toegenomen. Dit aantal ligt nu op 224 duizend huishoudens. De stijging komt vooral voor rekening van het toenemende aantal huishoudens dat langdurig afhankelijk is van een bijstandsuitkering. Deze huishoudens zijn door toedoen van de economische crisis in armoede geraakt. 

Het aantal huishoudensleden dat in 2016 deel uitmaakte van de 590 duizend huishoudens met een laag inkomen bedroeg bijna 1,1 miljoen personen. Dat komt overeen met 6,8 procent van de bevolking. Daarmee lag het armoederisico onder de bevolking in 2016 een fractie lager dan in 2015 (6,9 procent).

Armoede kans onder minderjarige kinderen is gedaald. 
In totaal leefden in 2016 ruim 292 duizend minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen, 11 duizend minder dan het jaar ervoor. Voor 117 duizend van hen was dit het vierde jaar achtereen. In lijn met de
ontwikkeling in de totale bevolking is het percentage kinderen met kans op armoede gedaald van 9,2 naar 8,9 procent. Het aandeel kinderen behorende tot de groep met een langdurig laag inkomen bleef met 3,7 procent onveranderd ten opzichte van het voorgaande jaar.

Zzp'ers zijn het meest kwetsbaar voor armoede
Het aantal personen in de leeftijd van 15 tot 75 jaar met hoofdzakelijk inkomen
uit betaald werk kwam in 2016 uit op krap 7,3 miljoen. Hiervan maakte 2,8 procent (203 duizend werkenden) deel uit van een huishouden onder de lageinkomensgrens, 0,6 procent (42 duizend werkenden) behoorde tot de groep met een langdurig laag inkomen. Onder werknemers was het percentage met een laag inkomen met 1,7 procent het kleinst, onder zelfstandigen met personeel (zmp’ers) was dat 5,2 procent en onder zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) 9,4 procent. Het aandeel met een langdurig armoederisico bedroeg 0,4 procent onder werknemers, 1 procent onder zmp’ers en 2,1 procent onder zzp’ers. Bij werknemers en zmp’ers daalde het armoederisico ten opzichte van 2015 maar bleef het risico op langdurige armoede stabiel. Bij zzp’ers was juist sprake van een stijging van het (langdurig) armoederisico. Veelal werken deze zzp’ers niet voltijds.

Veel langdurige armoede in Groningen

De stad Groningen is de gemeente met het hoogste percentage huishoudens dat langdurig onder de lage-inkomensgrens zit: 7,4 procent. Daarna volgen Rotterdam en Amsterdam. In de gemeenten Rozendaal (0,7%), Alphen-Chaam (0,7%) en Scherpenzeel (0,8) is het aandeel langdurig armen het laagst.

Gemeenten met hoogste aandeel huishoudens met langdurig (4 jaar of meer) laag inkomen (2016)

  GEMEENTE       %   
1     Groningen 7,4
2 Rotterdam 7,3
3 Amsterdam 7,1
4 Arnhem 6,2
5 Heerlen 6,1
6 Den Haag 6,1
7 Leeuwarden 5,8
8 Enschede 5,7
9 Nijmegen 5,6
10 Vaals 5,4

 

Het percentage huishoudens dat kort of lang in armoede leeft is het hoogst in Rotterdam: 15,3 procent. Daarna volgen Groningen en Amsterdam. De gemeenten met het laagste percentage armen zijn Rozendaal (2,9%), Zoeterwoude (3,2%) en Montfoort (3,4%).

Gemeenten met hoogste aandeel huishoudens met een laag inkomen (2016)

       GEMEENTE       %     
1 Rotterdam 15,3
2 Groningen 14,7
3 Amsterdam 14,6
4 Den Haag 14,1
5 Arnhem 13,6
6 Heerlen 12,7
7 Leeuwarden 12,6
8 Enschede 12,5
9 Nijmegen 12,4
10 Vaals 11,4

 

Bron: CBS, Armoede en Sociale Uitsluiting 2018.